Op een middag liep ik door Naaldwijk toen ik werd aangesproken door twee mensen. In gebrekkig Engels probeerde de vrouw iets uit te leggen. De man sprak geen Engels. “Bank… no card, no card,” bleef ze herhalen.
In eerste instantie dacht ik aan een pinautomaat, maar dat was duidelijk niet wat ze zochten. Er klopte iets niet. Ze kwamen vriendelijk over en hoewel ik alert bleef, voelde het veilig genoeg om verder te helpen. Omdat we vlak bij het gemeentehuis stonden (ooit een Rabobank) probeerde ik ze die kant op te sturen voor verdere hulp. Ze begrepen het niet, dus liep ik een stukje met ze mee.
Via Google Translate werd het verhaal langzaam duidelijk. Ze kwamen uit Roemenië en werkten hier sinds drie weken. Ze hadden geld op een rekening, maar geen bankpas en geen telefoon. Waarschijnlijk hoopten ze bij een bank hun geld te kunnen krijgen.
Toen drong het pas echt tot me door hoe luxe en gedigitaliseerd ons leven is geworden. Banken verdwijnen, alles gaat via apps en passen. Wat als dat in jouw wereld nog helemaal niet vanzelfsprekend is? Toen ik zei dat we hier geen banken meer hebben keken ze me niet-begrijpend aan.
Toen pas zag ik de plastic tas die ze bij zich hadden: vol lege blikjes en flesjes. Statiegeld verzamelen. Voor eten, vermoedelijk? Wat een armoede. “Rabobank’ zei de vrouw. Die zit in De Lier, vijf kilometer verderop. Ze hebben ook geen navigatie. Aangezien ik daar woon en klaar was in Naaldwijk, heb ik ze in de auto meegenomen. Onderweg wees de man enthousiast naar het grote gebouw van Looye: “Tomaten!”, riep hij. Natuurlijk, ze zijn hier om tomaten te plukken.
Bij de Rabobank wilden ze dat ik met ze mee naar binnen ging. “10 minutes please.” Ik wist al: dit gaat geen tien minuten duren. Ik gaf aan dat ik mee zou lopen om ze op gang te helpen maar de tas met statiegeld moest wel mee, uit mijn auto. Binnen werd gezegd dat het vreemd was, bij een rekening hoort ook een pas. We werden naar de wachtruimte gestuurd.
Daar heb ik mijn grens aangegeven. Ik heb nog meer te doen vandaag. Ze begrepen het, waren dankbaar en vonden het geen probleem om later terug te lopen naar Naaldwijk. Voor de zekerheid meldde ik bij de balie nog dat ik deze mensen dus helemaal niet kende, dat ik ze onderweg had geholpen en hier heen had gebracht. “Goede daad,” hoorde ik iemand achter me zeggen.
Achteraf voelde ik vooral hoe dun de lijn is tussen “meedoen” en “buiten het systeem vallen”. Hoe snel waardigheid afhankelijk wordt van iets kleins: een telefoon, een pasje, de juiste woorden.
Wat me raakte was niet alleen hun situatie, maar ook wat het in mij wakker maakte. Hoe vanzelfsprekend mijn wereld is. Hoe weinig ik daar normaal bij stilsta. En hoe belangrijk het is om, juist in die vanzelfsprekendheid, aanwezig te blijven bij de mens tegenover je.
In mijn werk zie ik dit ook veel terug. Aanraking, aandacht, gezien worden, het zijn geen luxeproducten. Het zijn basisbehoeften. Net als veiligheid, oriëntatie en vertrouwen. Wanneer die wegvallen, raakt een mens de grond onder zijn voeten kwijt.
Misschien ging het vandaag niet over geld of een bank. Misschien ging het over even samen lopen. Even naast iemand staan. Niet alles oplossen, maar wél aanwezig zijn zolang het klopt.
Dat voelt voor mij als richting. Niet redden. Niet fixen.
Maar mens tot mens blijven, ook (of juist) wanneer het systeem tekortschiet.
En daar, precies daar, begint echte aanraking.
Een moment van aanwezigheid
Stap even uit het systeem van moeten en presteren, om te herinneren hoe het voelt om eenvoudig aanwezig te zijn. Gedragen, gevoed en verbonden.
